Visie en theoretisch kader
We hebben duurzame inzetbaarheid bekeken vanuit de principes van de positieve psychologie, strengths-based learning en de relevante literatuur over dit thema.
Het proces
Duurzame inzetbaarheid verhogen, betekent dat je als leraar en als school voor een veranderingsproces kiest.
In dit deel leggen we uit hoe het veranderingsproces in de school kan verlopen. Het is enerzijds een vrij algemene benadering. Anderzijds hebben we geprobeerd om alle belangrijke factoren hierin een plaats te geven. Om het veranderingsproces voor de individuele leraar én voor de school te ondersteunen, werken we met twee sporen: spoor 1 gaat over het traject van de individuele leraar en spoor 2 ondersteunt het traject voor de directie en beleidsondersteuners. Naast deze twee aparte sporen is het van belang om beide sporen samen te brengen om een toekomstplan uit te werken.


Spoor 1: individuele leraar
De uitgangspunten zijn dat een leraar maar duurzaam inzetbaar is wanneer er:
- De
context deels kan aangepast worden aan wat voor de leraar belangrijk en
haalbaar is.
Het schema hiernaast brengt dit in kaart. De individuele leraar zou zicht moeten hebben op diens (energie gevende en kostende) sterktes en zwaktes. Daarnaast brengt die leraar de factoren in kaart die vanuit diens perceptie belangrijk zijn, en hoe ze samenhangen. Dit materiaal brengt de leraar samen in een toekomstplan. In gesprek met de directie wordt bekeken wat daarvan kan gerealiseerd worden, op korte of lange termijn of wat niet haalbaar is.
Spoor 2: voor het schoolbeleid
Voor de school zijn de uitgangspunten:
- Dat een school niet alles kan veranderen, er zijn op schoolniveau factoren waar het beleid niets aan kan doen.
- De school tijd moet krijgen voor verandering en dat ook zo moet kunnen communiceren.
- Het schoolbeleid beslist wat voor de school belangrijk en haalbaar is.
Het schema hiernaast brengt dit in kaart. In de school gaat idealiter een gemengd team van beleidsmedewerkers en leraren samen aan het werk. Zij gaan (op basis van de bevraging) de sterktes en zwaktes van de school in kaart brengen. Ze bepalen samen hoe die sterktes en zwaktes samenhangen. Dat geeft een beeld van waaruit mogelijke veranderingen het best vertrekken. Een beleidsplan over duurzame inzetbaarheid maakt duidelijk wat op korte termijn, op langere termijn of niet kan aangepast worden. Dit plan wordt dan gecommuniceerd met de leraren.
Samenbrengen van spoor 1 en 2:
Individuele leraren en het schoolbeleid ontmoeten elkaar dus op basis van een toekomstplan dat ze beiden vanuit hun perspectief hebben opgesteld. Daardoor ontstaat er een interessante onderhandelingsruimte waarbij de beide partijen met elkaars noden, wensen, verlangens, ambities en sterktes kunnen rekening houden. Uiteraard moeten het toekomstplan van de leraar passen binnen het beleidsplan van de school. Dat wordt mogelijk omdat het toekomstplan van de leraar op vaardigheden en niet op taken gebaseerd is.
We geven een eenvoudig, maar erg realistisch voorbeeld. Naar aanleiding van de aanvangsbegeleiding zijn er uren voorzien om beginnende leraren te ondersteunen. Heel wat senior-leraren zien zichzelf dit wel doen, waardoor er een overaanbod van kandidaten ontstaat om die functie in te vullen. Het toekomstplan van de individuele leraar vertrekt niet van functies, zoals de functie van aanvangsbegeleider, maar wel van de onderliggende vaardigheden (sterktes) die de leraar in zichzelf ziet om die functie mogelijks op te nemen. Dit zouden de volgende vaardigheden kunnen zijn: individueel coachen, sterke lessen maken, een duidelijk beeld hebben van alle richtingen en vakken op school, een netwerk van hulpbronnen kunnen activeren, objectief evalueren, waarderend bijsturen, moeilijke boodschappen brengen, diverse klasgroepen managen, ontwikkelingspsychologisch inzicht hanteren, observeren, ontwikkelplannen opstellen, … Een leraar zal niet in al deze vaardigheden even sterk zijn. Maar omdat het toekomstplan van vaardigheden vertrekt, ontstaat er onderhandelingsruimte om die vaardigheden misschien in te zetten voor:
- Begeleiden van leerlingen die het moeilijk hebben.
- Het ondersteunen van een vernieuwingstraject in de vakgroep.
- Het ondersteunen van de aanvangsbegeleider door het overnemen van klasobservaties.
- Meewerken aan een beleidsdocument over objectief evalueren.
- Het ondersteunen en begeleiden van nieuwe leraren in extra muros-activiteiten.
- …
Het gesprek gaat dan niet meer over al dan niet gekozen worden voor de aanvangsbegeleiding, maar wel over hoe de individuele leraar diens (energie gevende) sterktes en diens ambitie kan inzetten in functie van samen bouwen aan een sterke school.
Uiteraard moet dit gekaderd worden in een ruimer beleid, waar er duidelijke afspraken zijn over welke rollen en taken er zijn en hoe die verdeeld zijn over wat wel en niet behoort tot een functie.
Literatuur
Klik hier om een overzicht te krijgen van de belangrijkste bevindingen uit de literatuur.
